Zelf doen

Sommige hoogbegaafde kinderen komen ondanks (of dankzij?) hun intelligentie in de problemen. Het lukt niet op school, ze gaan onderpresteren of gooien zelfs helemaal het bijltje erbij neer. Soms hebben ouders de neiging om hun kind overal voor te beschermen; ze zien hoe moeilijk hij of zij het heeft. En willen niet dat het nog meer pijn lijdt. Het gevaar is dan echter dat het kind steeds meer achterover gaat leunen en steeds minder gaat doen.

Hoe kun je nu je kind leren problemen het hoofd te bieden in plaats van het te beschermen tegen problemen. Daarvoor is het belangrijk dat je als ouders de leiding neemt én een vangnet voor ze bent. En dat het kind zijn zelfsturend vermogen ontwikkelt!

Door een aantal factoren kan de ontwikkeling van hoogbegaafde kinderen stagneren. Het kind kan zich op school of zelfs nog eerder (peuterspeelzaal, dagverblijf) gaan aanpassen aan omgeving. Het gaat onderpresteren. De ontwikkeling van leer- en werkstrategieën blijft uit en executieve vaardigheden verbeteren niet of onvoldoende (bijvoorbeeld plannen, organiseren, timemanagement en schakelen tussen verschillende taken). Het verliest zijn vertrouwen in omgeving en durft zichzelf niet meer te laten zien. Hij ontwikkelt dikwijls een vaste mindset (‘Ik wil niet op zwemles, want ik kan niet zwemmen’) in plaats van een groeimindset (iets wat je nu nog niet kunt, kun je leren). Deze vaste mindset verhindert groei. Ook kan er gebrek zijn aan zelfinzicht: wat was mijn aandeel in de situatie? Wat kan ik voortaan anders doen?

Door ervaringen met leeftijdgenoten, die op een ander sociaal en emotioneel ontwikkelingsniveau zitten, en door andere kenmerken van hoogbegaafde kinderen, zoals hoge verwachtingen, perfectionisme en gevoeligheid raakt het kind zijn zelfvertrouwen kwijt en ontstaat een negatief zelfbeeld. Dit kan ertoe leiden dat de interesse om te leren verdwijnt. Het kind staat ‘uit’, wordt ook wel gezegd.

Hoe krijg je dit ‘uit’ staande kind nou weer ‘aan’?

Daarvoor is het allereerst nodig dat het kind weer verantwoordelijkheid neemt voor wat hij vindt en wat hij doet. Hij moet aan het stuur van zijn eigen leven gaan zitten. Daarvoor zijn 3 dingen nodig: eigenaarschap, autonomie en creativiteit. Ook is het nodig dat er zelfvertrouwen is en zelfinzicht.

Al deze factoren beïnvloeden elkaar. De potentie van je zelfsturend vermogen wordt bepaald door je eigenaarschap, autonomie en creativiteit. Maar welk deel je daarvan uiteindelijk weet te gebruiken is weer afhankelijk van je zelfvertrouwen en zelfinzicht.

Op zich zijn de factoren eigenaarschap, autonomie en creativiteit juist ruim aanwezig bij hoogbegaafde kinderen. Toch ontstaat er bij veel van deze kinderen een achteroverleunen. Juist wanneer het zelfinzicht en zelfvertrouwen laag zijn of ontbreken. Autonomie kan dervoor zorgen dat het kind de hakken in het zand zet en geen hulp aanvaardt. Een slim kind kan heel creatief zijn om manieren te bedenken om iets niet te hoeven doen. Een kind kan ook besluiten dat de kosten van een inspannign niet opwegen tegen de baten. En daardoor achterover gaan leunen.

Het spreekt voor zich dat dit achteroverleunen op de lange (en ook op de korte) termijn ongewenst is. Deze kinderen zullen zich met moeite staande houden in hun schoolcariere en het leidt tot veel verdriet en ongeluk.

Het is daarom belangrijk om verantwoordelijkheid en eigenaarschap bij je kind te ontwikkelen.

Dit kan je (kort gezegd) doen door het volgen van deze 7 stappen.

  1. Verantwoordelijkheid geven (Geef je kind 1 taak, waarvoor hij verantwoordelijk is. Bedenk deze het liefst samen met je kind)
  2. Het gedrag inschalen (Vraag: Hoe goed vind jij dat … je lukt, op een schaal van 1-10? Geef het gedrag van je kind ook zelf een cijfer)
  3. Taak en gedrag concretiseren (Wat is precies de inhoud van de taak en welk gedrag verwacht je van je kind)
  4. Steun bepalen (Welke steun en begeleiding denkt je kind nodig te hebben? Spreek af hoe hij dat kan krijgen)
  5. Consequenties benoemen (wat gebeurt er als de taak wel of niet wordt uitgevoerd? Straf/ beloning (bij voorkeur!)/ puntensysteem)
  6. De afspraak op papier zetten (helder formuleren, eventueel zichtbaar ophangen)
  7. Samen evalueren en doorpakken (tussentijds en na afloop evalueren. Na 3 weken en na 6 weken. Gebruik ook weer de inschaling. Wat maakt dat het beter/ slechter/ gelijk gaat?).  

Het is belangrijk je kind (en jezelf) te blijven motiveren: wat levert de verandering op?

En daarnaast natuurlijk volhouden (minimaal 6 weken)!

Bovenstaande is gebaseerd op het boek “Lekker zelluf doen!” van Monique Jonkers (2016). Wil je meer weten over de achtergronden en ook welke hindernissen je tegen kunt komen en hoe je die kunt tackelen, dan is dit boek echt een aanrader!

*Ik heb in de tekst gekozen voor ‘hij’ maar dit geldt natuurlijk evenzo voor meisjes!

 

Wil je reageren? Doe dat!

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.